Gepost door: athahualpa | januari 31, 2010

Dingen van de dag

Geachte lezer,

Een paar weken geleden schreef ik dat veel mensen geloof hechten aan allerlei complotverhalen. Duistere machten spelen in dit soort verhalen een belangrijke rol. Het gaat dan meestal om de overheid, wetenschappers, het bedrijfsleven, etc. Nu heb ik gelijk gezegd dat een kritische benadering van deze ‘autoriteiten’ natuurlijk wel op zijn plaats is. Het gerommel met de cijfers in de rapporten van het klimaatpanel van de VN is natuurlijk niet goed. Ook de bevindingen van de commissie Davids maken duidelijk dat Nederland indertijd op onjuiste gronden steun heeft verleend aan de invasie in Irak. Wie oud premier Blair onlangs heeft gezien voor de Britse onderzoekscommissie naar de oorlog in Irak kan alleen maar blij zijn dat zijn politieke rol is uitgespeeld. Er gaat vaak nogal wat tijd over heen voordat de verantwoordelijken aan de tand worden gevoeld, en ook daarna bevredigt de uitkomst lang niet altijd. Maar anders dan de complotdenkers ons willen doen geloven zijn die ‘duistere machten’ helemaal niet zo slim, en wordt hun handelen uiteindelijk meestal  genadeloos tegen het licht gehouden.

Volgens de aanhangers van de grote complotten hebben de samenzweerders altijd één groot masterplan, één  ingenieuze opzet, om iedereen te misleiden. Daarnaast wordt de samenzweerders een organisatietalent toegedicht die hen in staat stelt om alle plannen die binnenskamers worden bedacht volstrekt geheim te houden.  De werkelijkheid is echter anders. Geheimen blijven niet bewaard. De ‘Omerta’ , de wet van het absolute stilzwijgen,  werkt alleen in films over de Cosa Nostra, en zelfs daar niet altijd. De mens is van nature geen wezen dat geheimen kan bewaren, hij is zo incontinent als de pest.  Iedereen lekt in Den Haag, en in Londen en Washington is dat al niet veel anders. Ook de handelswijze van  directeuren (CEO’s) van grote ondernemingen komt meestal, vroeger of later, genadeloos in de openbaarheid. Natuurlijk is er in de aanloop naar de oorlog tegen Irak door Bush, Blair en Balkenende gelogen, maar dat gebeurde juist zo opzichtig, dat het veeleer een wonder is dat zoveel mensen er nog instonken.  Over de motieven voor die oorlog hebben de ‘neocons’ in de Verenigde Staten ook nooit de geringste geheimzinnigheid laten bestaan.

Voor de crisis geldt hetzelfde. De kredietcrisis en de economische recessie zijn evenmin een gevolg van een duister complot. Over de bonuscultuur in de financiële wereld is nooit geheimzinnig gedaan, en al helemaal niet door de medewerkers van de banken zelf. De producten van de financiële instellingen mochten dan misschien wel complex zijn, wanneer ze een gevaar inhielden voor de eigenaar zelf werden ze toch maar veilig doorverkocht.  Hoogleraren in de economie hebben altijd alle moeite gedaan om iedereen uit te leggen dat het Angelsaksische casinokapitalisme het enige vruchtbare  economische model is in een mondiale economie.  Waarom er onvoldoende weerwoord kwam op al deze onzin is een vraag van geheel andere orde, maar met geheime genootschappen heeft dit allemaal niets te maken.

Maar mensen houden van complotten, ik zelf ook. Ik moet daarbij een kanttekening maken, ik houd van geheimzinnigheid. Mijn bezwaar tegen complottheorieën is juist dat deze voor mijn eigen fantasie geen enkele ruimte meer laten. Complottheorieën wijzen immers altijd een dader aan, en zijn altijd expliciet over zijn motieven. Dat is heel jammer. Hoeveel mooier was de film van Oliver Stone over de moord op John F. Kennedy (JFK) niet geweest als hij het had gelaten bij het mooie requisitoir van Kevin Costner voor de rechtbank, waarin hij uitlegt dat Lee Harvey Oswald onmogelijk de moord op de president in zijn eentje kon hebben gepleegd. Fenomenaal was dat.  Daarbij had hij het moeten laten. Tot zover wil ik ook graag met hem meegaan. Maar helaas, Stone gaat verder en wijst de ‘werkelijke’ daders aan, de haviken in het leger, en vice-president Johnson, die “all out” willen gaan tegen de communisten in Vietnam. JFK als apostel van de vrede die uit de weg moest worden geruimd door de ‘warmongers’ in het Pentagon. Het is voor wie iets meer weet van Kennedy’s politiek in ZO-Azië niet echt geloofwaardig.

Ik houd daarentegen  van verhalen met open einden, vandaar,

Tinkunanchiskama

Inca Athahualpa

Gepost door: athahualpa | januari 17, 2010

Cuzco

Geachte lezer,

Ik wil u graag laten zien hoe Cuzco,  de hoofdstad van de Inca’s,  er vroeger ongeveer heeft uit gezien. Ik moet daarbij terugvallen op het fantastische stedenboek dat de heren Braun en Hogenberg, aan het einde van de zestiende eeuw en het begin van de zeventiende eeuw hebben uitgegeven. Ik heb het dan natuurlijk over de “Civitates orbis terrarum” waarvan het eerste deel verscheen in 1572 (in Keulen) en het laatste, zesde, deel in 1617. De Civitatis bevat plattegronden, panorama’s en vogelvlucht afbeeldingen van de belangrijkste steden uit die tijd.  Georg Braun was de samensteller van de “Civitatis” en hij werkte nauw samen met Abraham Ortelius, de man van de “Theatrum Orbis Terrarum”, de eerste echte atlas van de wereld uit 1570. Franz Hogenberg was verantwoordelijk voor het meeste graveerwerk van de koperen drukplaten die zijn gemaakt voor de vervaardiging van het stedenboek. Hogenberg maakte de meeste koperen drukplaten aan de hand van schetsen, houtsneden, en tekeningen die anderen weer hadden gemaakt van de betreffende steden. Deze anderen, cartografen, artiesten, en reizigers hebben daarmee natuurlijk een bijdrage geleverd van onschatbare waarde.

De afbeelding van de stad Cuzco wordt toegeschreven aan een zekere Antoine Du Pinet, die in 1564 een houtsnede heeft vervaardigd naar een kaart uit “Navegationi, vol III, uit 1556, van G.B. Ramusio. Ik moet eerlijk zeggen dat ik van dit werk nooit eerder heb gehoord, maar het lijkt mij van belang om alle bronnen te noemen die ik op mijn zoektocht tegenkom. In ieder geval is de kaart van Cuzco verschenen in de eerste editie van de Civitatis. In die tijd werd Cuzco beschouwd als de ’archeologische’  hoofdstad van Zuid Amerika. Het was natuurlijk nog niet zo lang na de verovering van de stad door Pizarro in 1533, en omdat we geen afbeeldingen hebben van de stad van voor die tijd, moeten we het maar met de afbeelding uit het stedenboek doen. Maar het is wel een hele mooie afbeelding. Natuurlijk heeft de vervaardiger geen exacte weergave van de stad gemaakt. We weten eerlijk gezegd ook niet wat er in die tijd van de oude Inca paleizen nog overeind stond. Maar we mogen aannemen dat de structuur van de stad wel overeenkomt met de afbeelding. Dan valt op dat de stad een moderne ‘uitleg’ heeft met de grote ‘avenues’ die elkaar loodrecht snijden. Het fort aan de linkerzijde maakt, ondanks de excentrische ligging, toch de indruk het belangrijkste deel van de stad te zijn.  Hier stonden waarschijnlijk eens de tempels en de paleizen. De ommuringen wijzen daar ook op. Was de stad als geheel in de Incatijd ook ommuurd? Zeer zeker, we zien deze muren ook bij andere steden van de Inca’s (Machu Picchu).

Het zijn juist deze muren die de Spanjaarden lieten staan of gebruikten als fundering voor hun kathedralen en grote gebouwen. De Inca’s maakten bij het maken van deze muren geen gebruik van cement of specie om de stenen bij elkaar te houden. Hun gave bestond er juist in deze stenen zo uit te houwen, en daarna op elkaar aan te passen, dat er geen enkele ruimte tussen de stenen overbleef. Daardoor werden hun bouwwerken zeer solide. De stad is in de loop der tijd vaak getroffen door aardbevingen, het laatst nog in 1950. Toch is er nog veel moois te zien, zowel uit de tijd van de conquistadores, als ook aan ruïnes van tempelcomplexen uit de Incatijd.

Rest mij nog de bron te vermelden waar ik de afbeelding op het Internet heb  gevonden. Het gaat daarbij om een project van het “Historic Cities Center” van de aardrijkskundige faculteit van de Hebrew University  in Jerusalem, in samenwerking met de “Jewish National  and University Library”. http://historic-cities.huji.ac.il/historic_cities.html

Met deze bronvermelding heb ik toestemming om de gescande afbeelding uit de Civitatis orbis terrarum te gebruiken.

Tinkunanchiskama

Inca Athahualpa

Gepost door: athahualpa | december 30, 2009

Voorlaatste dag van het jaar

Geachte lezer,

In het oude Incarijk hadden we natuurlijk vele feestdagen. Deze dagen hielden verband met de astronomische kalender en de seizoenen. Hoewel de regio in de buurt van de evenaar ligt is er wel degelijk sprake van een opeenvolging van seizoenen. De twee momenten in het jaar dat de zon even stilstaat boven de Steenbokskeerkring en de Kreeftskeerkring waren ook in het Incarijk belangrijke dagen die het begin aankondigden van een nieuw seizoen. Hoewel de klimatologische verschillen tussen de seizoenen hier veel minder groot zijn dan op hogere breedten speelden zij voor de landbouw toch een belangrijke rol.

Maar kenden de Inca’s ook een jaarwisseling? Van de Maya’s is bekend dat zij goede astronomen waren en dat zij er een nauwkeurige kalender op nahielden. Over het kabaal dat wordt gemaakt over het einde der tijden dat samenhangt met het zogenaamde einde van de tijdrekening van de Maya’s zul je hier niets vernemen, behalve dan dat het verhaal thuis hoort in de verzameling verhalen en theorieën waarover ik het in de vorige post heb gehad. Klinkklare onzin dus.  Het jaar van de Inca’s telde ook  365 dagen. De belangrijkste dagen zijn:  de winterzonnewende (22 december), de beide equinoxen (21 maart en 23 september), de zomerzonnewende (21 juni) en de dagen dat de zon door het zenit trekt, dat wil zeggen, loodrecht  aan de hemel staat  (plaatselijk verschillend). De belangrijkste dag was toch wel de dag waarop de zon uitgebreid vereerd werd, en dat was tijdens de zomerzonnewende op 21 juni.

Omdat het Incarijk grotendeels op het zuidelijke halfrond was gelegen gaat het hier dus om het begin van de winter. Maar men moet zich niet voorstellen dat het de Inca’s ook maar iets kon interesseren dat er weer een jaar was verstreken. Zij zagen deze dagen heel praktisch als de markeringsdata voor hun handelen, in de landbouw, in de cultus van de zon, en van de andere goden. Voor zover hun astronomie verder reikte dan de jaarlijkse cyclus had dit betrekking op specifieke gebeurtenissen zoals zonsverduisteringen  en maansverduisteringen.  Vooral deze laatste verschijnselen maakten veel indruk op de mensen in die tijd en het was dus geen wonder dat de priesters en de geleerden zich juist met de tijdstippen van deze verschijnselen bezig hielden.

Een Oud en Nieuw viering krijgt zijn betekenis alleen wanneer men naast de toekomst ook het verleden in beschouwing neemt. Men sluit het oude jaar af door er op terug te zien, en men verwelkomt het nieuwe jaar met wensen t.a.v. voorspoed en geluk.  Voor de Inca’s  was  het bidden tot de goden op deze dagen van belang opdat de oogsten weer rijk zouden zijn.  Maar afscheid nemen van het verleden? Neen, dat was er niet bij.

Tinkunanchiskama,

Inca Athahualpa

Gepost door: athahualpa | december 6, 2009

Zin en onzin

Geachte lezer,

De laatste tijd bekruipt mij het gevoel dat de mensen steeds minder voor rede vatbaar zijn. Ik denk daarbij aan de verhalen die over de gevaren van inenting tegen de Mexicaanse griep op het Internet worden geslingerd, en die door steeds meer mensen voor zoete koek worden geslikt. Maar ook verhalen waarin wordt betoogd dat de gehele kwestie van de opwarming van de aarde door “de milieubeweging” wordt aangegrepen om een werelddictatuur te vestigen. Ik heb het dan nog niet gehad over de angst voor de islam, en de dreiging van de vestiging van een groot kalifaat, de gehele aarde omvattend. Nu zijn verhalen over samenzweringen van alle tijden, dus wat dat betreft is er niet veel nieuws onder de zon. Maar hoe komt het dat deze complottheorieën relatief brede ondersteuning krijgen bij het publiek?  Er zijn volgens mij drie elementen te noemen.

Het eerste element heeft te maken met het behoren tot een uitverkoren groep van ‘zieners’, van mensen die iets doorhebben wat gewone mensen maar niet vermogen in te zien. Als ‘gelovige’  behoor je tot een soort geheim genootschap, en dat geeft kennelijk een lekker gevoel. Men is een soort ingewijde in een bepaalde wetenschap, en men bekijkt de buitenstaanders als zielige figuren. In feite zijn de gewone mensen al opgegeven. Een soort geheimtaal versterkt dit gevoel. Ook hanteert men een soort canon van gebeurtenissen die ieder lid van de gemeenschap paraat heeft.  Eenieder  weet toch immers dat buitenaardse wezens reeds in 1947 in New Mexico de aarde hebben bezocht, maar dat de officiële politiek dit altijd heeft doodgezwegen. Wanneer je zulke gelovigen vraagt waarom de politiek dat zou hebben doodgezwegen wordt je met wantrouwen bejegend. Zoiets doet de politiek nou eenmaal en dat behoor je gewoon te weten. Vraag deze mensen dus ook niet waarom de overheid met behulp van  nano-technologie de mensen door het vaccineren tegen de Mexicaanse griep in de gaten probeert te houden. De overheid deugt niet en doet dit soort dingen nu eenmaal.  Begrijp mij goed, een gezond wantrouwen tegen al te grote inmenging van de overheid in ons dagelijks leven wordt ook door mij gedeeld. Maar niet alle motieven van de overheid zijn op voorhand verkeerd.

Het tweede element heeft te maken met het feit dat deze complottheorieën totaal zijn. Ze hebben voor alles een verklaring, ook voor zaken die in strijd lijken te zijn met de theorie. Falsificatie van de theorie is niet mogelijk. Dat ligt in eerste instantie aan de theorie zelf, die heeft immers overal een verklaring voor. Maar het ligt ook aan de mensen die de theorie aanhangen. Nu is dit een verschijnsel dat wij in de geschiedenis wel vaker hebben gezien met totale denksystemen. Ook intellectuelen zijn niet immuun voor dit verschijnsel, zoals  uit steun van die kant voor Nationaal Socialisme en Communisme  wel  is gebleken. De ‘grote verhalen’ over de inrichting van de maatschappij, of het lot van de mensheid, hebben kennelijk iets dat van nature aantrekkingskracht bezit. Zelfs in de wetenschap is het idee nog niet helemaal losgelaten dat men misschien in de toekomst een theorie kan bedenken die alle natuurverschijnselen kan verklaren.  Ik meen dan ook dat de bronnen van de ‘grote verhalen’ evenzeer zijn gelegen in de verlichting als in de religie. Echter de wetenschapsfilosofische idee van de falsifieerbaarheid van theorieën is een groot goed. Dus aan alle complottheoretici dezelfde vraag: Hoe is uw theorie te weerleggen? Op grond van welke bevindingen acht u de theorie minder waarschijnlijk, en bent u bereid om te zoeken naar andere verklaringen?

Het laatste element dat ik wil noemen is de teloorgang van een deel van de collectieve kennis die we met zijn allen hebben opgebouwd. Ik noem het een gemis aan collectief geheugen. Dingen die vroeger in kaders werden geplaatst moeten dit nu meestal ontberen. De media braken allerlei gebeurtenissen over ons uit, en steeds vaker wordt de suggestie gewekt dat we met een geheel nieuw fenomeen te maken hebben. In dat klimaat is het volgens mij goed mogelijk dat iemand volstrekte onzin kan beweren (bijvoorbeeld over de schadelijkheid van onderzoek naar baarmoederhalskanker) en dat dit ook nog wordt geloofd.  De verspreiding daarvan via Internet is nog maar één ding, het is iets anders dat er onvoldoende collectieve kennis voorhanden is om de onzin te weerspreken.  Ik wil hier in een volgende post op terugkomen, voor nu,

Tinkunanchiskama,

Inca Athahualpa

Gepost door: athahualpa | november 15, 2009

Manco Inca

Manco Inca was de zoon van Huayna Capac en kon de zelfde man zijn vader noemen als ik. Hij was dus een halfbroer van mij. Hij is geboren in 1516. In 1532 benoemde Pizarro Tupac Huallpa als keizer van het Incarijk. Tupac Huallpa volgde Atahualpa op, en was een soort marionet van de Spanjaarden. Al in het volgende jaar stierf Tupac Huallpa. De 17 jarige Manco Inca reisde naar Cajamarca om daar Francisco Pizarro en Diego de Almagro te ontmoeten. Manco Inca sloot een verdrag met de twee Spanjaarden, en kreeg in ruil daarvoor het recht om zich koning van zijn volk te noemen. Natuurlijk was Manco in deze situatie ook niet meer dan een marionet van de Spanjaarden, maar zelf dacht hij daar in ieder geval heel anders over.

Het probleem is echter dat Francisco Pizarro en Diego de Almagro al snel geen belangstelling meer koesterden voor de Incakoning in Cuzco en hun blik naar de noordelijke en zuidelijke delen van het land verplaatsten. De bewaking van de stad Cuzco werd overgelaten aan de jongere broers Pizarro, Juan, Gonzalo en Hernando. Deze drie broers behandelden Manco Inca zeer onheus. Ik had al verteld dat de vrouw van Manco werd gekidnapt door Gonzalo. Ook dat Manco een mislukte aanval op Lima uitvoert. Ondanks het feit dat Manco regelmatig publiekelijk wordt vernederd behoudt hij het vertrouwen van de bevolking en in 1536 trekt hij met een leger van 200000 strijders op  naar Cuzco. In de gelederen van de Spanjaarden is een strijd ontbrandt tussen de Francisco Pizarro en Diego de Almagro waar Manco profijt van probeert te trekken. Manco was vastbesloten de Spanjaarden voor eens en altijd de stad uit te gooien. Hoewel de strijd om Cuzco meer dan 10 maanden duurt, en Manco er zelfs in slaagt delen van de stad voor een korte tijd te bezetten, loopt het uiteindelijk niet goed voor hem af.  Vele van zijn manschappen overlijden als gevolg van de pokken.

Manco, die nog steeds van plan is de Spanjaarden uit het land te verdrijven, splitst zijn troepenmacht, en trekt in 1537 ten strijde tegen het fort Lima. De aanval, die wordt geleid door generaal Quizo Yupanqui, mislukt echter, mede als gevolg van het feit dat de Spanjaarden de hulp hebben gekregen van zo’n 20000 overlopers. De Incakrijgers trekken zich daarop terug in de omgeving van Ollantaytambo.  Vandaar uit voeren ze nog herhaalde aanvallen uit op de Spanjaarden, sommige succesvol, andere niet. In het kamp van de Spanjaarden heeft Francisco Pizarro  inmiddels Diego de Almagro laten executeren (1538). Hoewel Manco nog herhaalde pogingen doet om Cuzco aan te vallen zijn de Spanjaarden aan de winnende hand. De Spanjaarden kennen het gebied rondom Ollantaytambo erg goed en daarom zoeken de manschappen van Manco Inca dekking in de junglegebieden van Vitcos en Vilcabamba.   De Spanjaarden vallen echter ook deze plaatsen aan en in 1539 moet Manco Inca vluchten uit Vilcabamba.

Het verhaal van Manco Inca is dan bijna afgelopen . De Spanjaarden installeren zijn jongere halfbroer als nieuwe Incakoning.  Manco voert een guerilla oorlog tegen de Spanjaarden in het bergachtige gebied rond de nieuwe Incahoofdstad Vilcabamba.  Francisco Pizarro laat Cura Occla, de vrouw van Manco Inca, executeren. Over het waarom van deze laffe daad kan men slechts gissen. Was het frustratie bij de Spanjaarden dat ze Manco Inca niet te pakken konden krijgen? Het vergaat Francisco Pizarro na zijn afrekening met Diego de Almagro ook niet al te goed. In 1541 wordt hij door de aanhangers van Almagro vermoord.  Manco Inca wordt in 1544 door Diego Méndez, een  volgeling van Diego de Almagro, vermoord. Manco Inca had meerdere zonen. Van een daarvan zullen we nog horen, namelijk van  Túpac Amaru.

Tinkunanchiskama

Inca Athahualpa

Gepost door: athahualpa | oktober 24, 2009

Espíritu Pampa

Geachte lezer,

De vorige keer heb ik geprobeerd uit te leggen waarom Machu Picchu niet de verloren Inca hoofdstad Vilcabamba kan zijn. Ik ben daarvoor terug gegaan in de geschiedenis, en heb verteld hoe de Spanjaarden het onderling aan de stok kregen. Maar ook heb ik verteld dat de toenmalige Inca hoofdstad Vilcabamba herhaaldelijk werd belegerd en geplunderd. Dat laatste feit maakt het al zeer onwaarschijnlijk dat Vilcabamba heeft  gelegen op de plaats waar Hiram Bingham Machu Picchu ontdekte.  Het verhaal van Manco Inca en zijn opvolgers pak ik de volgende keer weer op. Nu concentreer ik mij op de werkelijke ligging van de laatste Inca hoofdstad.

Het staat nu wel vast dat Vilcabamba lag op een plaats die bekend is onder de naam Espíritu Pampa. Espíritu Pampa ligt op een afgelegen plek in de jungle. Aan het eind van de 19e eeuw ontdekten Manuel Ugarte, Manuel Lopez Torres en Juan Cancio Saavedra in de jungle overblijfselen die wezen op de het bestaan van een nederzetting. Natuurlijk was er niet veel overgebleven van de oude laatste hoofdstad van de Inca’s, en het is dan ook niet verwonderlijk dat het belang van de ontdekking niet tot de drie doordrong. Ze wisten eigenlijk niet beter dan dat ze de resten van een nederzetting hadden ontdekt. Het verhaal van de “verloren stad van de Inca’s” deed in die tijd overigens al volop de ronde, maar de verbinding werd niet gelegd.

Maar nu komt het mooiste. Hiram Bingham, naarstig op zoek naar de verloren Inca hoofdstad, is ook op  deze plek geweest. Hij heeft Espíritu Pampa eigenlijk herontdekt, nadat de plek in de tussenliggende twintig jaar weer in de vergetelheid was geraakt. Hiram besefte waarschijnlijk beter dan zijn drie voorgangers dat deze plaats van belang was, maar het kwam geen moment bij hem op dat hij de verloren stad had gevonden. Legendevorming rond de “verloren stad van de Inca’s” is hiervoor waarschijnlijk verantwoordelijk geweest. Hoewel uit de geschriften destijds (ik doel hier op de Spaanse kronieken uit de zestiende eeuw) duidelijk viel op te maken dat de verloren stad zo wat met de grond gelijk was gemaakt, heeft zich in het bewustzijn van de avontuurlijke vorsers drie eeuwen later een beeld genesteld van een monumentale stad die ergens in de verborgenheid op ontdekking wachtte. Dus toen Hiram Bingham even later Machu Picchu ontdekte was het voor hem vanzelfsprekend dat hij nu de werkelijke verloren stad van de Inca’s had ontdekt.

Het heeft bij elkaar nog tot 1976 geduurd voordat de laatste twijfels waren weggenomen dat Espíritu Pampa de echte locatie was van de laatste hoofdstad van de Inca’s, Vilcabamba. Hiram Bingham was toen al lang dood. Als we nu even afzien van de drie eerder genoemde mannen, en we voor de zekerheid ook maar aannemen dat Hiram Bingham werkelijk de eerste mens is geweest die Machu Picchu, na drie tot vier eeuwen, heeft betreden, dan mogen we vaststellen dat Hiram Bingham de laatste hoofdstad van de Inca’s heeft ontdekt én een verloren stad heeft gevonden.  Maar het waren wel verschillende steden.

Hieronder zijn twee kaartjes te zien. De eerste met de locatie van Espíritu Pampa. Daaronder die waarop Machu Picchu staat aangegeven.

Espiritu Pampa

Machu Picchu_Map

Tinkunanchiskama

Inca Athahualpa

Gepost door: athahualpa | oktober 3, 2009

Lost city of the Inca’s

Beste lezer,

Ik ben even op vakantie geweest. Dat doet een mens goed. Maar het is nu tijd om terug te gaan naar het verhaal van de “lost city of the Inca’s”. U weet allemaal dat de Spanjaarden in 1532, 1533 het Incarijk ten val hebben gebracht. Dat wil zeggen, de hoofdstad Cuzco werd ingenomen en de Sapa Inca werd gevangen genomen, en vervolgens vermoord. Francisco Pizarro installeert vervolgens in Cuzco  de 17 jarige Manco Inca als nieuwe koning. Natuurlijk was dat een slimme zet van hem. De bevolking kon zo denken dat zij toch een eigen koning had, terwijl Pizarro zich kon wijden aan zijn eigenlijke taak, het opzetten van het vicekoninkrijk Peru. Dit allemaal in dienst van de Spaanse kroon.

In 1535 sticht Pizarro de stad Lima die als hoofdstad moet gaan dienen van het nieuwe Spaanse wingewest. Maar het loopt allemaal toch een beetje anders dan Pizarro zich had voorgesteld. Op de eerste plaats ontstaat er onenigheid binnen de gelederen van de Spanjaarden.  Francisco Pizarro heeft drie broers, Juan, Gonzalo en Hernando. Gonzalo komt op het ongelukkige idee om de vrouw van Manco Inca te kidnappen. Deze neemt dat natuurlijk niet en hij begint met een omsingeling van Cuzco. In de strijd die daarop volgt laat Juan Pizarro het leven. De Inca generaal Quizo Yupanqui vat de moed op om een aanval op Lima te ondernemen. Deze wordt door de Spanjaarden afgeslagen.

Maar er is nog meer aan de hand. Diego de Almagro, de voormalige reisgenoot van Francisco Pizarro, keert zich tegen de Pizarro’s. Hij voert een aanval uit op Cuzco, waar op dat moment Hernando en Gonzalo het voor het zeggen hebben. Almagro verovert Cuzco en Manco Inca moet vluchten naar Vilcabamba, de nieuwe Inca hoofdstad. Zijn zoon is door de Spanjaarden gevangen genomen. De ruzies tussen de Spanjaarden onderling blijven inmiddels maar voortduren. In 1538 laat Hernando Pizarro  Diego de Almagro executeren. De nieuwe Inca hoofdstad Vilcabamba wordt aangevallen door de troepen van Gonzalo Pizarro. Manco Inca ziet kans te ontsnappen.

Ik stop hier voor dit moment met het geschiedkundige verhaal. Ik beloof dat ik het in een volgend bericht weer zal oppakken. Waar het mij om gaat is duidelijk te maken dat Vilcabamba nooit dezelfde plaats kan zijn als Machu Picchu. De stad Vilcabamba is herhaaldelijk door de Spanjaarden veroverd en door de Inca’s weer heroverd. Bovendien hebben de Spanjaarden de stad regelmatig geplunderd. Het eerste wijst op een locatie die, anders dan Machu Picchu, toch redelijk toegankelijk moet zijn geweest. Het tweede is in strijd met  de conditie waarin Machu Picchu verkeert. Hoewel deze stad nu natuurlijk ook vervallen oogt, lijkt het erop dat dit meer te wijten is aan natuurlijke oorzaken (aardbevingen, verwering), dan aan plunderingen.  Machu Picchu is als hoofdstad helemaal niet geschikt. Deze stad is namelijk veel te gemakkelijk geheel van de buitenwereld af te sluiten.  Het zou voor de Spanjaarden heel gemakkelijk zijn geweest om de bevolking van deze stad uit te hongeren.

Naar mijn mening was Machu Picchu niets meer en niets minder dan een plezierig resort voor de koninklijke familie en zijn aanhang.  Maar in tijden van oorlog was deze plaats niet van strategisch belang. Ik ben er daarom ook van overtuigd dat de Inca’s deze plaats zelf hebben verlaten en dat de Spanjaarden er waarschijnlijk nooit zijn geweest.  In die zin kan men dan misschien wel spreken van een “lost city of the Inca’s”, maar het betreft volgens mij zeker niet de ‘verloren’ laatste hoofdstad van de Inca’s. Hiram Bingham had het hier bij het verkeerde eind.

Tinkunanchiskama

Inca Athahualpa

Gepost door: athahualpa | september 5, 2009

Hiram Bingham

Geachte lezer,

Op 24 juli 1911 ontdekte Hiram Bingham Machu Picchu. De ruïnes die hij daar aantrof behoorden tot de stad waarvan hij in ieder geval geloofde dat het de “vergeten stad van het oude Incarijk was”. Vergeten was Machu Picchu natuurlijk inderdaad. In feite wist niemand meer van het bestaan van deze stad. Maar waar was Hiram Bingham dan toch eigenlijk naar op zoek geweest. De “Lost City of the Inca’s” waar Hiram Bingham, en met hem vele anderen, aan refereerde was volgens de overlevering de laatste vestingstad van de Incakeizers in het door de Spanjaarden veroverde Peru. Het was de laatste verzetshaard van de Inca’s in hun strijd tegen de binnendringers. De naam van deze plaats was Vilcabamba (Vilcapampa). Hiram Bingham was er van overtuigd dat hij deze plaats had ontdekt. Met andere woorden:  Machu Picchu en Vilcabamba zijn gewoon twee namen voor dezelfde plaats.  Of dit ook inderdaad het geval is wil ik graag in een volgend bericht nader bespreken. Ik wil het nu hebben over Hiram Bingham, wie was deze man?

Hiram Bingham werd op 19 november 1875 geboren in Honolulu als zoon van een predikant. Thuis hadden ze het niet breed, en het is daarom niet vreemd dat Hiram al op vroege leeftijd had besloten dat hij niet in de voetsporen van zijn vader zou treden. Op een goede morgen deed hij het voorkomen alsof  hij op weg was naar school. In werkelijkheid ging hij naar een bank, nam het geld op van een spaarrekening, en monsterde aan op  een passagiersschip met bestemming  het vasteland.  Maar zover kwam het niet.  Voordat het schip de haven van Honolulu had verlaten was het plan van de jonge Hiram verraden en haalde zijn vader hem van het schip. Gelukkig werd de jongen niet gestraft en hij kreeg zelfs meer vrijheid. Ik noem dit voorval om duidelijk te maken dat hij zeer avontuurlijk was. Hij was een echte boekenwurm. Zijn grootste droom was om ontdekkingsreiziger in Afrika te worden. Hij studeerde in Andover, Massachusetts. Hij behaalde een academische graad aan de Yale Universiteit, de universiteit van Berkeley, als ook aan Harvard. Hij gaf les in geschiedenis en politiek.

Archeologie was zijn hobby, niet zijn vak. Hij gaf les in de geschiedenis van Zuid-Amerika aan Yale. Hij schreef ook boeken over dit continent. Het was in die tijd dat hij zich voornam op zoek te gaan naar oude Incasteden.  De expeditie van 1911 naar Peru werd gefinancierd door Yale. De Peruviaan Melchor Arteaga en Hiram ontdekten op een steile berghelling de ruïnes van de oude Incastad. Behalve de inheemse bevolking in de directe nabijheid leek niemand van het bestaan van de stad te weten. Dat veranderde echter toen het belang van de ontdekking tot de wereld doordrong. Ineens kwamen er anderen naar voren die beweerden dat zij de stad al eerder hadden gezien.  Hoewel door bovenstaande formulering misschien de indruk wordt gewekt dat ik weinig geloof hecht aan deze claims, moet ik in alle eerlijkheid zeggen dat ik de juistheid van deze beweringen niet kan beoordelen.   Maar de naam van Hiram Bingham zal altijd verbonden blijven met die van Machu Picchu.

Of Hiram Bingham model heeft gestaan voor Indiana Jones (van de gelijknamige films) weet ik niet zeker. Het wordt wel beweerd. Bingham doorliep ook nog een militaire carrière als vliegenier. In 1924 werd hij gekozen tot republikeins gouverneur van de staat Connecticut. Omdat hij in datzelfde jaar ook voor de republikeinse partij in de senaat werd gekozen duurde zijn gouverneurschap maar één dag.  Hij bleef in de senaat zitten tot 1932. Toen moest hij zijn zetel ruimen voor een democraat, de politieke uitwerking van de democratische golf in beide huizen van het Congres als gevolg van de Grote Depressie.    Op 6 juni 1956 overleed Bingham. Hij is bijgezet op de Nationale Begraafplaats in Arlington, Virginia

Tinkunanchiskama,

Inca Athahualpa

Gepost door: athahualpa | augustus 16, 2009

Trommels en fluiten

Geachte lezer,

Rascar heeft mij gevraagd of hij vaker stukjes mag schrijven op deze blog. Lijkt mij een prima idee. Eigenlijk hoefde hij dit niet eens te vragen, aangezien de blog gewoon voor hem open staat. Hij weet van sommige dingen veel meer dan ik, en dan is het toch wel handig wanneer hij zich direct tot jullie kan richten. Hij is er op dit moment niet, maar voordat hij wegging heb ik hem nog gevraagd of hij mij wat meer over de oude volksmuziek van de Inca’s kon vertellen. Ik heb daar zelf natuurlijk wel een beetje verstand van, maar daar blijft het dan ook bij. Wat u moet weten is dat de muziek werd gespeeld op blaasinstrumenten en trommels. De blaasinstrumenten waren eenvoudige fluiten (qena) en panfluiten. Maar daarnaast waren er ook kleine trompetten van aardewerk, en hoorns  gemaakt van schelpen.  U moet daarbij denken aan het soort schelpen dat soms door shanty-zangers wordt gebruikt. De panfluiten klonken natuurlijk zoals zij dat nog altijd doen, zij zijn karakteristiek voor alle muziek uit de Andes. Je houdt er van of niet. Ik ken nog al wat mensen die er alergisch voor zijn.

Trommels moet men zich voorstellen in alle vormen en maten. Ze werden gemaakt van de huid van een lama of alpaca die strak werd gespannen over een holle houten cilinder, of over een halfbolvormige houder.  Snaarinstrumenten werden pas door de Spanjaarden geïntroduceerd. Muziek werd  bij alle gelegenheden gemaakt.  Het bleef niet beperkt bij rituele gebeurtenissen, of alleen bij de ceremonies ter gelegenheid van religieuze feesten. Natuurlijk werd er dan wel uitbundiger muziek gemaakt, maar het was doorgaans goed mogelijk dat men op een doordeweekse dag op de terrashellingen in de Andes een boer op zijn fluit hoorde spelen. Maar wat voor muziek werd er gemaakt? Dansmuziek natuurlijk. Ook de eenzame boer van daarnet danste tijdens het spelen. Van de muziek zelf is niet veel bewaard gebleven. We moeten er deels van uit gaan, dat wat de inheemse bevolking in de Andes nu ten gehore brengt, lijkt op wat vijfhonderd jaar geleden in het gebergte klonk. Minus de gitaren dan. Voor de rest moeten we afgaan op wat de conquistadores in hun muziek overnamen van de inheemse bevolking. Ik heb eerder al eens uitgelegd dat dat niet gering was.

Vooral in de religieuze muziek werden veel inheemse elementen overgenomen. Ik verwijs nog maar even naar wat ik daarover enkele maanden geleden heb geschreven in mijn verhaal over het lied Hanacpachap Cussicuinin. Was de muziek van de Inca’s meerstemmig? Neen, dat lijkt mij zeer onwaarschijnlijk. Maar ik zal Rascar vragen of hij daar misschien uitsluitsel over kan geven. Volgens mij is meerstemmigheid in de muziek iets dat pas in de 12e of 13e eeuw is ontstaan in Frankrijk (Parijs, Notre Dame). Wij maakten vrolijke muziek, maar men moet ons geen muzikale meesterwerken toedichten.

Tinkunanchiskama

Inca Athahualpa

Gepost door: athahualpa | juli 29, 2009

De reis naar de maan, computers, en vertrouwen.

Geachte lezer,

Deze maand was het veertig jaar geleden dat de eerste mens voet op de maan zette. Het zal u nauwelijks zijn ontgaan omdat de media zeer ruim aandacht hebben besteed aan deze gebeurtenis. Het was natuurlijk wel aardig om die beelden weer te zien. Persoonlijk vond ik de beelden vanuit het vluchtleidingscentrum in Houston nog het leukste. De apparatuur die daar stond, ik kom daar dadelijk op terug, de mensen, en vooral de spanning op al die gezichten. Het zal natuurlijk ook vanwege diezelfde spanning zijn dat ik voornamelijk mensen zag met een sigaret in hun handen of een joekel van een sigaar in het hoofd. Toen was roken kennelijk nog heel gewoon. Niemand die er aanstoot aan nam. Maar ik wilde het eigenlijk hebben over de apparatuur. De weinig robuuste maanlander zelf, maar ook de vreselijk robuust uitziende computerkasten en beeldschermen.

De conventionele wijsheid leert dat iedere burger die nu beschikt over een desktop meer computervermogen in huis heeft dan destijds nodig was voor de hele maanreis van de  Apollo 11. Nu heb ik geleerd conventionele wijsheid altijd een beetje te wantrouwen. Maar laten we eens gaan rekenen. Het is een feit dat in de periode tussen de jaren zestig van de vorige eeuw, en zeg 2005, de capaciteit van de processoren elke 18 maanden verdubbelde. Na 2005 is die groei enigszins afgevlakt tot een verdubbeling in twee jaar. U begrijpt al wat ik ga doen. Stel de rekenkracht in juli 1969 gelijk aan 1. Dan is volgens de bovenstaande groeifunctie de rekenkracht in juli 2009 gelijk aan 67.108.864, ofwel zevenenzestigmiljoen honderdachtduizend achthonderdvierenzestig. Als we deze cijfers bekijken lijkt er wel een kern van waarheid te zitten in de bewering. Wat men er echter vergeet bij te vertellen is het feit dat onze desktops zijn gevuld met een enorme hoeveelheid ballast die voorkomt dat we ooit vanuit onze werkkamer een reis naar de maan kunnen maken. Die ballast bestaat uit de steeds zwaardere besturingssystemen voor onze computers (Windows Vista), de beveiligingssoftware, en alle gadgets en parafernalia waaraan wij zo gehecht zijn geraakt. Die maken dat we vaak het idee krijgen dat onze computers niet vooruit zijn te branden.

Maar er is meer dat ons er van weerhoudt om onze computers te gebruiken voor iets als een reis naar de maan. De reis duurde in 1969 in totaal acht dagen. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar als ik mijn computer acht dagen aan één stuk gebruik is die minstens vijf keer volledig vastgelopen, tien keer heeft het programma dat ik gebruik er de brui aan gegeven, en minimaal twintig keer verschijnen er mededelingen op het scherm die de vluchtleiding in schrik naar de zoveelste sigaret en sigaar zouden hebben doen grijpen. Kortom, voor ons dagelijkse werk voldoet de computer soms net, maar voor een maanreis zou ik toch niet willen blindvaren op de capaciteiten van dit apparaat. Neen, als ik met dit apparaat een reis wil maken naar de Mare Tranquillitatis dan ben ik toch hoofdzakelijk aangewezen op Google Moon. Niet onaardig, zeker niet, maar om daarover nou op te scheppen?

GoogleMoon

Asniq  Kama (tot ziens)

Rascar Capac

Oudere Berichten »

Categories