Muziek

Woord vooraf.

Het gebruik van YouTube-filmpjes op deze pagina is natuurlijk niet zonder risico. Wanneer ik een filmpje tegenkom op YouTube waarmee ik een fragment van de muziek die ik bespreek kan laten horen, zal ik daar zeker gebruik van maken. Dit zogenaamde inbedden van YouTube-filmpjes is volgens mij op zich wel toegestaan. Anders wordt het natuurlijk wanneer de opnames door YouTube zelf worden gekarakteriseerd als een schending van de gebruiksvoorwaarden. Dit is nu in een aantal keer het geval bij filmpjes die op deze pagina waren ingebed. Laat ik duidelijk zijn dat ik mijzelf op geen enkele manier heb ingespannen om te achterhalen of de filmpjes rechtmatig op het Internet stonden.  Ik kan mij dus ook nergens over beklagen. Dat doe ik dan ook niet. Een en ander noodzaakt mij wel om de ‘dode’  verwijzingen naar YouTube te verwijderen. Ik zal proberen om ze te vervangen door andere fragmenten, maar of dat ook lukt is natuurlijk maar de vraag.

Spaanse en Latijns-Amerikaanse muziek.

15e en 16e eeuwse muziek uit Spanje

Muziek van het Iberische schiereiland verschilt in menig opzicht van de muziek uit andere delen van West-Europa. Dit komt het best tot uiting in de akkoorden en ritmes van de Spaanse muziek uit die tijd. Dit geldt zeker waar het gaat om het gebruik van tokkelinstrumenten (luit, arpa en vihuela). De Spaanse muziek heeft veel te danken aan de wederzijdse invloeden van de Arabische en Christelijke cultuur in het Spanje van die tijd. Zo is de luit van Arabische oorsprong. Het is waarschijnlijk vanwege het gebruik van de tokkelinstrumenten, dat het gebruik van harmonische patronen als basis voor improvisaties zo karakteristiek is geworden voor de Spaanse muziek. In de late 15e eeuw en de 16e eeuw was Spanje cultureel veel minder afgesneden van de rest van Europa, dan in de eeuwen die zouden volgen. Spanje was nauw verbonden met Zuid-Italie vanwege het koninkrijk Napels, dat onder Spaans beheer stond gedurende de periode van 1442 tot 1707. Spaanse onderkoningen heersten over Napels tot 1707. Een tweede reden was natuurlijk de persoon van de Habsburger Karel V, en zijn zoon Philips II. Karel V had een speciale relatie met de Nederlanden, en die kwam ook aan zijn hof tot uiting door het verschijnen van (Franco)-Vlaamse componisten als Nicolas Gombert en Adrian Willaert. Voor die tijd maakte ook Hayne van Ghizeghem reeds opwachting aan het Spaanse hof. Maar ook de muzikale invloeden uit Napels moeten in dit verband genoemd worden. De villanesca ontstond uit een vermenging van Spaanse en Italiaanse populaire stijlen. Bekende componisten uit die Napolitaanse school waren Francisco della Torre en Giovanni Domenico del Giovane da Nola.


Enkele begrippen:

tiento

Het woord “tiento” komt van het Spaanse “tentar”, betasten. De tiento is een typische Spaanse klaviercompositie, die het midden houdt tussen de toccata en het ricercare. Bij de “tiento de bajo” zit de melodie in de linkerhand. De rechterhand speelt de begeleiding. Tientos zijn vergelijkbaar met de ricercari. Deze laatste zijn de voorlopers van de fuga (Franco-Vlaamse school). Ricercari kunnen  meerdere thema’s hebben. Daarin verschillen ze van fuga’s die meestal maar een thema hebben.

villancico

In Spanje heeft het woord villancico niet enkel betrekking op het volkse kerstlied, maar wordt onder dezelfde benaming gerefereerd aan een soort muziekstuk dat zijn oorsprong vindt in melodieën die gezongen werden door de villano’s. Het villancico heeft gewoonlijk een prefatoir refrein en herhaalde verzen, meest in ABA vorm. Een vilhançico of villancico is in de 16e eeuw een muziekstuk geschreven in (meestal) het Spaans. In de Renaissance (15de eeuw en 16de eeuw) onderging het villancico een gedaantewisseling naar eenstemmige liederen met begeleiding van vihuela, of drie- of vierstemmige liederen met volkse wortels. Vanaf ca. 1620 was het gewoonlijk een stuk met geestelijke inhoud. De villancico’s werden een uidrukking van vreugde ter wille van de geboorte van God. Hun wereldlijke evenbeeld werd tono humano of gewoon tono (deun) genoemd. In Spanje, Portugal (dat tot 1640 Spaans was) en de koloniën waren de villancico’s veel belangrijker geworden dan het motet. De catalogus van de muziek verzameling van koning João IV van Portugal bijvoorbeeld vermeldt er niet minder dan 2309. Zij werden gebruikt voor religieuze feestelijkheden die grote menigten aantrokken. Zelfs de Portugese componisten schreven ze meestal in het Spaans en dat is mogelijk de reden waarom zij door João V in 1723 verboden werden.

villanesca

Dit zijn korte, pittige en volkse meerstemmige liederen op Italiaanse tekst, elk niet meer dan een paar bladzijden lang, maar stuk voor stuk miniatuurtjes.
Hoewel de naam van dit genre – het Latijnse villanus betekent gemeen, van geringe afkomst – verwijst naar het volkse, valt, gelet op de fijne ritmiek en de onmiskenbare harmonische en polyfone elementen, de muziek van die liederen niet als ‘eenvoudig’ te typeren.

Algemene kenmerken van dit boertig-parodistisch overwegend coupletlied zijn de tweedelige strofe, gelijkaardig naar melodie en een refrein, dat variabel is van lengte en structuur. Van een vast structuurschema is evenwel geen sprake. In oorsprong waren ook de in hoofdzaak homofone zetting met de bovenstemvoering veelal in tertsen en de onderstem als harmonische basis, samen met het gebruik van parallelle kwinten typisch. Later bevindt de melodie zich meestal aan de tenor, soms aan de sopraan. Doorgaans eisen deze liederen een levendig tempo.
Bij de aanvang waren de villanesche driestemmig (Giovanni Domenico da Nola, 1510/1520-1592), later zoals o.m. bij Willaert vierstemmig.
In de 16de eeuw ontwikkelden componisten in Napels de canzona villanesca alla napolitana , vaak als onderdeel van uitvoeringen van de populaire commedia dell’arte.

1500 – 1553 / Cristóbal de Morales

Cristóbal de Morales geboren Sevilla 1500, gestorven Málaga 14-6-1553 of Marchena tussen 4-9 en 7-10-1553.
Spaans componist en dirigent. Cristóbal de Morales was de eerste grote Spaanse polyfonist van de 16de eeuw.De Morales werd in Sevilla geboren. Na daar op uitzonderlijk vroege leeftijd als koorknaap aan de kathedraal te zijn opgeleid (onder meer een strenge opleiding in de klassiekers, en muziekopvoeding bij vooraanstaande componisten als de dichter en kapelmeester Pedro Fernández de Castilleja en de voortreffelijke Francisco de Peñalosa die de stijl van de Nederlandse polyfonie in Spanje had geïntroduceerd), verkreeg hij in 1526 een betrekking in Ávila als koormeester van de kathedraal.
In 1529 werd Morales koormeester aan de kathedraal van Plasencia, waar hij tot 1531 bleef en van het bestuur de erkenning kreeg die hij verdiende vanwege de energie die hij in de opvoeding van de koorknapen stak. Omstreeks 1535 verhuisde Cristobal de Morales naar Rome, waar hij zanger werd aan de pauselijke kapel, kennelijk onder invloed van de belangstelling van paus Paulus III die een voorkeur had voor Spaanse zangers. Hij bleef tot 1545 in Rome in dienst van het Vaticaan. In de pauselijke kapel kwam Morales in contact met enkele van de meest vooraanstaande componisten van die tijd – ook leden van het koor – zoals Costanzo Festa, Jakob Arcadelt en

Nicolas Gombert. Vele van hun werken verschenen met de zijne in gezamenlijke uitgaven.

Cristóbal de Morales, engraving by James Caldwall after Angelo Rofoi, c. 1770.

Cristóbal de Morales (1500-1553)

Na een periode waarin hij in Italië zonder succes naar een andere betrekking zocht (hij tastte de belangstelling af van zowel de keizer van het Heilige Roomse Rijk als van Cosimo I de’ Medici), keerde hij naar Spanje terug, waar hij opeenvolgende betrekkingen kreeg. Vele van deze betrekkingen gingen gepaard met financiële en politieke problemen.
In Toledo volgde Morales bijvoorbeeld de ontslagnemende Andrés de Torrentes (een buitengewoon componist die thans nauwelijks bekend is) op. Hij was koormeester aan de kathedraal van Toledo van 1545-47. Ofschoon hij in zijn tijd bekend stond als een van Europa’s voornaamste componisten, lijkt hij als werknemer niet erg geliefd te zijn geweest, want hij ondervond moeilijkheden om nog ergens een betrekking te behouden.Er schijnt enige grond voor te zijn om aan te nemen dat de Morales een veeleer moeilijk karakter had, omdat hij zich bewust was van zijn uitzonderlijke begaafdheid en niet in staat was om te gaan met mindere talenten; hij stelde zware eisen aan de zangers met wie hij werkte, vervreemde werkgevers van zich en moet waarschijnlijk als bijzonder hovaardig zijn ervaren. Ondanks dit alles werd Morales terzelfder tijd als een van de meest geraffineerde componisten van het Europa van het midden van de zestiende eeuw ingeschat. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat Morales in de twee jaar dat hij in Toledo verbleef, prachtige (hoewel vergeten) werken bleef componeren. Hij ontpopte zich ook tot de leraar van een van de andere grote componisten van die tijd, Francisco Guerrero, toen nog jongeling. Zijn laatste levensjaren bracht Morales vooral door in Marchena, in dienst van de hertog van Arcos en vervolgens in Málaga, waar hij in een conflictsituatie belandde met het bestuur van de kathedraal waarvan hij kapelmeester was.
Hij solliciteerde op 4 september 1553 in Toledo naar de betrekking van maestro de capilla, een plaats waar hij voorheen al gewerkt had, maar hij stierf kort daarop; de datum staat niet bekend, maar lag vóór 7 oktober.
Christobal de Morales schreef 22 missen , 4,5, en 6-stemmig, 81 motetten, 18 magnificats, 11 hymnen en 5 lamentationes en enkele seculiere werken.

Cristóbal de Morales: Circumdederunt Me Gemitus Mortis

Cristóbal de Morales: Missa Mille Regretz (Agnus Dei)
Cristóbal de Morales: Introitus Requiem Aeternam

1510 – 1566 / Antonio de Cabezón

De organist, componist en grondlegger van de Spaanse orgelschool Antonio de Cabezón wordt geboren rond 1510 in Castrillo de Matajudíos vlakbij Burgos.

Als 16-jarige blinde organist treedt hij in 1526 in dienst van koningin Isabella. Tot aan zijn dood op 26 maart 1566 blijft Cabezón aan het hof verbonden; eerst als kamermusicus en hoforganist van Karel V en vervolgens van zijn zoon Philips II. Deel uitmakend van het gevolg van Philips II bezoekt hij Milaan, Napels, Londen en Vlaanderen.

Al tijdens zijn leven wordt Antonio de Cabezón beroemd als organist, klavecinist en als componist van orgel-, klavecimbel- en vocale muziek. Zijn zuiver contrapuntische stijl, beheersing van diminutiestechniek en versieringenkunst heeft veel invloed op de muziek van zijn tijdgenoten en navolgers.

Twaalf jaar na zijn dood verzorgt zijn zoon, de organist Hernando de Cabezón, een uitgave van de werken van zijn vader.

De twee volumes van deze ‘Obras de música para tecla, arpa y vihuela’ bevatten niet minder dan 275 composities van Cabezón. Naast diverse 2 en 3-stemmige hymnen, Magnificatzettingen en Kyrieversetten staan er ook 4-stemmige tientos, meerstemmige intavolaties en variaties (diferencias) van motetten en chansons in.

Het is verleidelijk om bij orgelmuziek vooral te denken aan de grote Nederlandse (Sweelinck, Schuyt, van Noordt), en Duitse (Scheidt, Scheidemann, Buxtehude, feitelijk een Deen, Pachelbel, en Bach) organisten. Maar het is opmerkelijk dat de eerste grote aanzetten kwamen uit Spanje, en dan vooral van Antonio de Cabezón.

“Diferencias sobre La Gallarda Milanesa” op het orgel van het klooster van Saint Jeronimo in Tlacochahuaya (Mexico)

Daarnaast zijn er zoals gezegd ook veel werken van Antonio de Cabezon voor clavecimbel. In de 16e eeuw werden de meeste clavecimbels gebouwd in Italie. Voor veel organisten van die tijd fungeerde het clavecimbel als een goedkoop oefen instrument. Later nam de verspreiding van clavecimbels in Europa een grote vlucht, vooral in Vlaanderen. In tegenstelling tot de piano, waar bij het aanslaan van een toets een hamertje tegen een snaar slaat, wordt bij de clavecimbel de snaar getokkeld door een pennetje. Het geluid, dat een beetje lijkt op dat van een luit, kan niet in intensiteit worden gevarieerd door de toetsaanslag. Door het gebruik van twee manualen, waarbij het ene meestal iets luider is dan het andere, kan men toch een verschil in dynamiek simuleren. Zoals ook geldt voor de orgelwerken van Cabezon, zijn de clavecimbelstukken meestal variaties op bekende liedjes uit die tijd. Naast de Italiaanse liedjes herkennen wij ook sommige uit het repertoire van vroege Vlaamse componisten. Ter ere van Antonio de Cabezon, en de fantastische clavecimbel, heb ik maar liefst twee filmpjes van YouTube gehaald. (Zijn helaas inmiddels ‘uit de lucht’)

Diferencias sobre el Canto Llano del Caballero, gevolgd door Diferencias sobre el Canto de La Dama de demanda

1510 – 1570 / Diego Ortiz

Diego Ortiz is niet alleen bekend als een van de grootste Spaanse componisten van de Renaissance, maar ook als de auteur van de “Trattado di glosas”, het eerste gedrukte instructie boek over verrijking van melodielijnen met behulp van toegevoegde noten, trillers en cadansen, ter verfraaiing van de melodie (ornamentaties). Dit werk was speciaal bedoeld voor strijkorkesten. Dit boek werd internationaal gewaardeerd. Het boek bevat geheel uitgeschreven ornamentaties, die geschikt zijn voor muziekstukken uit verschillende tijdvakken. De bespeler van het instrument wordt door het boek als het ware begeleid bij de keuze van dat deel van zijn partituur, waar de ‘verfraaiing’ het meest tot zijn recht komt. Voorts bevat het boek oefeningen voor bas-instrumenten, de treble viola da gamba, en toetsenbord instrumenten. Daarmee verschaft dit boek veel informatie over de uitvoeringspraktijk van de muziekbeoefening van die tijd. Diego Ortiz bespeelde zelf ook de viola da gamba.

treble viola da gamba

Over het leven van Ortiz is niet veel bekend. De twee edities van zijn boek werden gelijktijdig gepubliceerd (in December 1553) toen hij in Napels verbleef. Hij was toen in dienst van  Pedro de Urries, een Spanjaard die hertog was van Riesi op Sicilie. In de Italiaanse editie van het werk wemelt het van Spaanse uitdrukkingen en zinswendingen, wat het vermoeden bevestigt dat Ortiz deze editie zelf in belangrijke mate heeft verzorgd. Ortiz leefde toen waarschijnlijk in het koninkrijk Napels dat onder Spaans bestuur stond.

In februari 1558 werd hij door Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alba, en Spaanse onderkoning van Napels (ja, dit is dezelfde Alva waarmee wij in de lage landen kennis hebben gemaakt), benoemd tot ‘maestro de cappella’. Hij behield die positie tijdens het bewind van de volgende onderkoning, Pedro Afán de Rivera, hertog van Alcalá. Aan deze laatste droeg hij zijn “Musices liber primer” op. Dit werk bevat enkele Magnificat bewerkingen, gebaseerd op zogenaamde ‘plainchants’*. ~ Joseph Stevenson, All Music Guide.
(* Plainchants = gregoriaanse gezangen.)

1528 – 1599  / Francisco Guerrero

Francisco Guerrero geboren Sevilla ?-5-1528, gestorven Sevilla 8-11-1599
Spaans componist en kapelmeester. Francisco Guerrero was de grootste vertegenwoordiger van de Andalusische school gedurende de tweede helft van de XVI eeuw. Zijn carrière in de muziek begon als “cantorcico” (kindzanger) van de kathedraal van Sevilla. Hij was een leerling van zijn broer Pedro, van Fernández Castilleja en van Cristóbal de Morales.Zijn beroepsleven speelde zich af rond de kathedralen van Jaén (1546), Sevilla (1548), Málaga (1554) en weer in Sevilla in 1555. Sevilla was in die tijd een belangrijke stad, en de kathedraal van Sevilla was de ‘place to be’ om als musicus/componist te werken.
Sevilla. Uit het Grote stedenboek van Braun & Hogenberg (1588). Met dank aan de “Hebrew University of Jerusalem”
Guerrero kreeg grote bekendheid zowel binnen als buiten Spanje en veel van zijn werken werden gepubliceerd in Frankrijk, Italië en Vlaanderen. De theoreticus Cerone vergeleek hem met de  Vlaamse componist Orlando di Lasso. Dit is een indicatie van hoe hoog men hem waardeerde. Zijn polyfonie lijkt veel op dat van Morales: in kleur, transparantie en van groot lyrisch karakter. Het is spriritueel en mystiek. Hij zei zelf dat het enige wat hij met zijn muziek wilde bereiken, het verlichten van zielen was en niet om aanleiding te geven tot vleierij.
Met Victoria en Morales behoort Francisco Guerrero (1528 – 1599) tot de grote Spaanse componisten van de Renaissance. Al op 17 jarige leeftijd werd hij (op voorspraak van zijn leraar Morales) benoemd tot Maestro di capilla van de kathedraal te Jaén. Uiteindelijk zou hij diezelfde functie bekleden in Sevilla.
Het barok orgel uit de kathedraal van Sevilla
Guerrero was nogal reislustig. Hij reisde verschillende keren naar Italië (waar hij hoog werd gewaardeerd en waar een deel van zijn muziek ook werd uitgegeven), en bezocht ook het Heilige land. Als componist was hij bijzonder produktief. Hij componeerde zeker 18 missen en zo’n 150 motetten en andere korte religieuze werken, een magnificat boek, liederen en spirituele villanescas Canciones y Villanescas Espirituales. Verder vinden we enkele van zijn wereldlijke werken in het zangboek van Medinaceli. In het motet ‘Gabriel Archangelus’ wordt de aartsengel Gabriel bezongen die Maria de blijde boodschap bracht.
Ook van hem een requiem in het volgende YouTube filmpje. Laat u nou vooral niet denken dat ik u alleen maar wil herinneren aan het onvermijdelijke einde. Luistert u dan nog maar eens goed naar de schitterende polyfonie in deze renaissance requiemmissen van het Iberische schiereiland. (Helaas uit de lucht).
1549 – 1611 / Tomás Luis de Victoria
Tomás Luis de Victoria (ook wel gespeld als ‘da Vittoria’) (1548 – 20 Augustus, 1611) was een Spaanse componist uit de late Renaissance. Hij is waarschinlijk de meest vermaarde componist uit de 16e eeuw in Spanje, en een van de belangrijkste componisten van de Contra-Reformatie, samen met Palestrina en Orlando de Lassus.

Tomás Luis de Victoria (15481611)

Victoria is geboren in Ávila. Op jonge leeftijd kreeg hij al les van Escobedo in Segovia. Omstreeks 1564 is hij naar Rome gegaan, waar hij toetrad tot de kloosterorde der Jezuieten. Het is goed mogelijk dat hij in die tijd samen met Palestrina heeft gestudeerd. Zeker is in ieder geval dat hij is beinvloed door de Italiaanse stijl in de muziek. In 1575 werd hij tot priester gewijd, nadat hij een periode had gediend als maestro di cappella van het klooster.

He did not stay in Italy, however; in 1586 he returned to Spain, this time in the service of the Dowager Empress Maria, who was entering the convent of Descalzas Reales in Madrid. Victoria remained at the convent until the end of his life, performing several roles—priest, composer, director of the choir, and organist.

Victoria is the most significant composer of the Counter-Reformation in Spain, and one of the best-regarded composers of sacred music in the late Renaissance, a genre to which he devoted himself exclusively. His works have undergone a revival in the 20th century, with numerous recent recordings. Many commentators hear in his music a mystical intensity and direct emotional appeal, qualities considered by some to be lacking in the arguably more rhythmically and harmonically placid music of Palestrina.

Stylistically his music shuns the elaborate counterpoint of many of his contemporaries, preferring simple line and homophonic textures, yet seeking rhythmic variety and sometimes including intense and surprising contrasts. His melodic writing and use of dissonance is more free than that of Palestrina; occasionally he uses intervals which are prohibited in the strict application of 16th century counterpoint, such as ascending major sixths, or even occasional diminished fourths (for example, a melodic diminished fourth occurs in a passage representing grief in his motet Sancta Maria, succurre). Victoria sometimes uses dramatic word-painting, of a kind usually found only in madrigals. Some of his sacred music uses instruments (a practice which is not uncommon in Spanish sacred music of the 16th century), and he also wrote polychoral works for more than one spatially separated group of singers, in the style of the composers of the Venetian school who were working at St. Mark’s in Venice.

Published in 1605 under the title Officium Defunctorum, sex vocibus, in obitu et obsequiis sacrae imperatricis, one of his finest, most beautiful, and most refined works is the great Requiem Mass he wrote in 1603 for the funeral of Empress Maria, who had been his employer since 1586, and who was the sister of Philip II and wife of Maximilian II, Holy Roman Emperor. Also notable is the serene emotion of every one of the 37 pieces that form his Officium Hebdomadae Sanctae of 1585, a collection of motets and lamentations linked to the Holy Week Catholic celebrations.

In 1565 reisde hij naar Rome om te studeren aan het Jesuiten College Germanico, waar hij waarschijnlijk Palestrina heeft ontmoet en bij hem heeft gestudeerd, iets wat zeker is terug te vinden in de stijl van zijn muziek. In Rome werd Victoria tot priester gewijd. Tomás Luis de Victoria trad in dienst van de Keizerin nadat Philips II in 1583 aan het verzoek dat Victoria in zijn “Tweede Missaal” als opdracht had geschreven “uit te mogen rusten van zijn werk als componist en zich te wijden aan zijn zieleheil zoals het een goed priester betaamd”. Als kapelmeester van de Keizerin was Victoria verplicht begrafenismuziek te componeren, voor te bereiden en te dirigeren, volgens de regels van de “Ceremoniale Episcoporum uit 1600, ingesteld door Paus Clemens VIII.

De polyfonie van het Requiem voor een Keizerin moet overweldigend geweest zijn tijdens de rituelen voor haar begrafenis in de kapel van het klooster. Een manuscript dat bewaard wordt in de Nationale Bibliotheek te Madrid geeft een uitvoerige beschrijving van de hooggeboren aanwezigen, uitgedost in kleding van zwart fluweel en damast, met bont versierd, de pilaren van de kerk behangen met wapens van edelen, de enorme verhoging met daarop de kist, getooid met de keizerlijke kroon, met aan vier kanten kandelaren vol brandende kaarsen, naar men schatte rond de tweeduizend, bij de hoeken van de kist stonden vier hoogwaardigheidsbekleders in zwarte mantels met kapuchon, rond de schouders zilveren ambtsketenen. Het document beschijft verder hoe prachtig de preek was, hoe mooi de kist de kerk werd uitgedragen, alles ter ere van een zeer bijzondere Spaanse vrouw.

Requiem van  Tomás Luis de Victoria (Helaas uit de lucht)

Barokmuziek in Latijns Amerika

Na de verovering van de Nieuwe Wereld door de Spanjaarden en Portugezen moest ook de Indiaanse bevolking worden gekerstend. In het kielzog van de Spaanse en Portugese legers trokken franciscanen, augustijnen en dominicanen het veroverde werelddeel binnen. Met het bekeren van de inheemse bevolking ontstond behoefte aan christelijke kerkmuziek. Al in de 16e eeuw zeilden componisten als Pedro De Gante, Toribio De Motolinia en Bernardino De Sahagun naar de Nieuwe Wereld. Samen met de geestelijkheid deed men -wat heet- baanbrekend werk. Authentieke aantekeningen laten zien dat in het jaar 1580 in 123 Mexicaanse woongebieden, dikwijls niet meer dan gehuchten, steeds elf Indiaanse tot het Rooms-Katholieke geloof bekeerde musici actief waren. Het is belangrijk te weten dat het Zuid-Amerika van nu demografisch volstrekt anders is ingekleurd dan destijds. Het door de Spaanse kroon gedomineerde koloniale rijk was grofweg verdeeld in vier gebieden. Nieuw-Spanje dat Mexico, Guatemala en Panama besloeg; Nieuw-Granada, nu Venezuela en Colombia; Rio de la Plata, voornamelijk Argentinië, en Hoog-Peru dat Peru en Bolivia omvatte.

Eind 16e eeuw namen de jezuïeten de taak over van hun Katholieke medebroeders. Ook zij nodigden Europese componisten uit om ter plekke muziek voor kerkelijk gebruik te componeren. De belangrijksten onder hen die toen de grote reis ondernamen waren Juan de Araujo (1646-1712), Tomás Torrejon y Valasko (1644-1728) en de Italiaan Domenico Zipoli (1688-1726). Die laatste vertrok op voorspraak van paus Clemens XI in 1717 naar Latijns Amerika en vestigde zich in Cordoba. De tot de orde der jezuïeten toegetreden componist studeerde theologie en filosofie en stond op punt te worden benoemd tot bisschop toen hij kwam te overlijden. Onder supervisie van de Jezuïeten vervulden Zipoli en zijn collega’s een belangrijke rol in de religieuze muziekvoorziening in de leefgebieden van de Chiquitos en Moxos indianen. Vooral in de achttiende eeuw leverden hun activiteiten een schat aan muziek op. Vele honderden missen, motetten en ‘villancicos’ zetten zij op papier. De muziek werd uitgevoerd door inheemse musici. Kenmerkend voor de muziek is de symbiose tussen de Spaans/Italiaanse muziektraditie en de inheemse.

Het Engelse barokgezelschap Florilegium heeft verschillende opnamen gemaakt van barokmuziek uit Bolivia. Lokale instrumentalisten en vocalisten spelen en zingen mee in een perfect samenspel. Vaak gaat het om werken van anonieme componisten uit Bolivia. In de twee videofilmpjes van YouTube die ik hieronder heb geplaatst gaat het in het eerste geval om een “Folia” voor twee violen. Folia komt van “folla”, oftewel dwaas, maar in dit verband ook wild. Het is een opzwepende dans. Er zijn talloze Folla’s bekend, waarvan die van Corelli waarschijnlijk wel de bekendste is. Maar ook in het Spaanstalige en Portugese gebied komt deze muzieksoort dus vaak voor. Zo ook in Bolivia.

Het tweede stuk is de Sonata Chiquitana XVIII van een anonieme Boliviaanse componist uit de 18e eeuw. Wederom het barokgezelschap Florilegium

<< wordt nog vervolgd >>

Engeland
(in bewerking)
ENKELE BEGRIPPEN VOORAF.
anthem: Compositie voor een religieuze tekst, gezongen in de context van de Anglicaanse liturgische dienst. Een andere betekenis die aan het woord anthem gegeven wordt is die van een lied voor samenzang door een groep ter gelegenheid van de viering van een speciale gebeurtenis. Het is in deze betekenis dat het begrip “national anthem” = volkslied verstaan moet worden. Het anthem onstond als vervanging van de vocale muziek uit de katholieke eredienst. Het anthem wordt nu vooral gebruikt in de Anglicaanse eredienst van de Church of England. Het anthem in de eredienst is geschreven voor een geoefend koor, en dus niet bedoeld voor de gemeenschap der kerkgangers. Oorsprong en karakter van het anthem zijn typisch Engels.
consort music: Renaissance en Barok: lied met begeleiding van een groep instrumenten. Wanneer de groep instrumenten allemaal tot één soort behoort dan spreekt men van een “full consort” (meestal viola’s), anders van een “broken consort”. Typische instrumenten voor de consort music zijn de viola (da gamba), de luit, de theorbe, het orgel, de clavecimel (niet uitputtend). De bekendste componist van consort music is waarschijnlijk wel John Dowland. Ensembles die zich vandaag de dag speciaal toeleggen op het spelen van consort music zijn: Fretwork, Rose of Viols, en Phantasm.
verse anthem: religieuze koormuziek. Een “verse anthem” kent een afwisseling van delen voor één of meerdere stemmen (de “verse”) en gedeelten voor het volledige koor. Door deze structuur krijgt een verse anthem het karakter van een vraag – antwoord ‘spel’. De “verse anthem” ontstond aan het begin van de 17e eeuw. Zijn populariteit duurde tot aan het midden van de 18e eeuw.  De begeleiding wordt verzorgd door orgel of orkestinstrumenten. Belangrijke componisten van “verse anthems” zijn William Byrd, Orlando Gibbons, John Blow en Thomas Tomkins. Na het midden van de 18e eeuw werd het genre iets minder populair en werd in de religieuze muziek teruggekeerd tot het traditionelere anthem.

virginalisten: De term virginalisten duidt op een groep Engelse componisten uit het eind van de 16e en begin 17e eeuw die muziek voor het virginaal of klavecimbel componeerden.

In de tijd voor de virginalisten werd er geen onderscheid gemaakt in muziek voor orgel, klavecimbel en andere toetsinstrumenten. De virginalisten schreven als eersten nadrukkelijk voor één instrument, namelijk het virginaal, en maken gebruik van de specifieke mogelijkheden van dit instrument. Kenmerkend in dat opzicht zijn virtuose snelle passages, voor het eerst ook in de linker hand, die door de smalle toetsen en lichte aanslag van het virginaal mogelijk werden. Kenmerkend voor de virginalisten zijn de variatiereeksen over bekende liederen en dansen. Een typische vorm is ook de variatie op een basso ostinato of ground, een herhaald en steeds gelijkblijvend thema in de bas. Een belangrijke bron voor het werk van deze componisten is het Fitzwilliam virginal book. Componisten die tot deze muzikale stroming worden gerekend zijn:Thomas Tallis, William Byrd, John Bull, Orlando Gibbons en Thomas Tomkins

My Ladye Nevells Grownde (William Byrd)

voluntary: muziekstuk voor orgel, te spelen vóór, tijdens of na de liturgische dienst.
Henry Purcell

COMPONISTEN.
Thomas Tallis 1505 – 1585
Thomas Tallis
Thomas Tallis
William Byrd  1543 – 1623

Byrd is één van de veelzijdigste componisten uit de generatie der virginalisten-madrigalisten. Uit zijn levensloop weten we dat hij omstreeks 1543 geboren werd en vermoedelijk leerling was van Tallis. Hij werd organist in Lincoln, lid van de Chapel Royal te Londen en, samen met Tallis, hoforganist.

In 1575 kreeg hij, ook weer met Tallis, vergunning van Koningin Elizabeth I voor het drukken en verkopen van muziek. Als dank daarvoor droegen de twee componisten in hetzelfde jaar Cantiones Sacrae aan haar op. Byrd werd verschillende malen in recht vervolgd. Als katholiek werd hij herhaaldelijk vervolgd voor het afwijzen van het Anglicanisme. Niettemin bleef hij in de gunst van de koningin, waarschijnlijk omdat hij zonder onderscheid componeerde voor de anglicaanse en de katholieke eredienst.

Meer officiële posten of onderscheidingen vielen hem niet ten deel, waarschijnlijk omdat hij katholiek gebleven is: tijdens het leven van Queen Elizabeth (die bv. wel Bull een beschermende hand boven het hoofd hield) stond de godsdienstonvrede verscheidene kansen in de weg. Zo trachtte de concurrentie het uitgeversmonopolie dat Byrd samen met Tallis had voor het parlement, omwille van zijn katholicisme, af te snoepen. De opvolger van Elizabeth, James I, was hem beter gezind en dit keer was het Bull die zich gedwongen zag naar het vasteland uit te wijken. Overigens was Byrd wel zo diplomatiek om zowel voor de anglicaanse als voor de katholieke Kerk muziek te componeren. Meestal waren dat Prayers and Responses, naast missen en motetten. Verder componeerde hij liederen, madrigalen en canons die in de verzamelingen van heel Europa gretig opgenomen werden.

Hij schreef zowel geestelijke als wereldlijke muziek, zowel vocale werken als instrumentale muziek. Zijn oeuvre bevat onder andere 61 Latijnse motetten in twee boeken met Cantiones Sacrae, 99 Latijnse motetten in twee boeken Gradualia, 61 beurtzangen, 3 missen (voor 3, 4 en 5 stemmen), psalmen, sonnetten, liederen, canons, liefst 120 stukken voor klavier (spinet, virginaal, clavichord en orgel) en madrigalen.

Gustav Leonhardt speelt de Fantasia in A. Minor

Instrumentaal componeerde hij voor gamba-ensemble, luit- en virginaaldansen, liedbewerkingen, fantasies en variaties (“The Bells”, “Wolseys Wilde”).

De laatste jaren van zijn leven bracht Byrd teruggetrokken door in Stondon Massey, een dorpje in de buurt van Londen, om er op 4 juli 1623 te sterven.

William Byrd.

William Byrd
John Dowland 1563 – 1626
<< in bewerking >>
Andreas Scholl zingt “Flow my tears” van John Dowland

Thomas Tomkins  1572 – 1656

Thomas Tomkins (Pembrokeshire, 1572Martin Hussingtree, 9 juni 1656) was een Brits componist en organist, die een aantal bekende anthems schreef.

Thomas Tomkins stamde uit een muzikale familie; zijn vader, Thomas Tomkins senior, was koormeester in de kathedraal van St David’s in Pembrokeshire, en leidde zijn vier zonen, die in hun tijd alle vier befaamde musici werden, op in de muziek. Thomas junior werd tot organist van de plaatselijke kathedraal benoemd. Op zijn tweeëntwintigste trok hij naar Londen, en ging in de leer bij William Byrd. Na twee jaar werd hij tot organist en koormeester van de kathedraal van Worcester benoemd, een post die hij vijftig jaar lang bekleedde, totdat de Burgeroorlog in 1646 een eind aan de religieuze diensten maakte. In 1607 behaalde hij een graad in de muziek aan de universiteit van Oxford. In 1627 werd hij Gentleman van de Chapel Royal; het combineren van beide posten betekende dat hij voortdurend heen en weer moest reizen, en vanaf de regering van Koning Charles I verkoos hij liever in Worcester te blijven en slechts sporadisch nog het orgel te gaan bespelen in Londen. Hofcomponist is hij nooit geworden, alhoewel de nieuwe koning hem dat aanvankelijk had beloofd; de vorige koning, James I, had de post reeds aan Alfonso Ferrabosco toegezegd. Tomkins werd relatief oud en geldt daarmee als de laatste vertegenwoordiger van de virginalisten.

Het is vooral zijn kooroeuvre dat hem blijvende roem heeft gegeven; met name When David heard that Absalom was slain en Above the stars my Saviour dwells zijn klassieke anthems uit het kerkelijke repertoire; O let me live, O let me die is een populair seculier werk. Het Protectoraat van Cromwell was tegen muziek gekant, en het culturele leven viel tijdens die periode in Engeland zo goed als stil. Toen Koning Charles onthoofd werd, componeerde Tomkins een pavane te zijner nagedachtenis: A sad paven – For these distracted Tymes. Hij heeft een groot oeuvre aan virginaalmuziek nagelaten, en experimenteerde graag met dit instrument, dat desalniettemin uit de mode geraakte. Barafostus Dreame, een eigenzinnige variatie op een oud herdersliedje, was een zeer populair virginaalwerk. Het lijkt erop dat Tomkins’ werk naar het eind van zijn leven toe opzettelijk archaïsch werd: hij was de laatste telg uit de Elizabethaanse traditie, en bleef stilistisch aan oude vormen vasthouden, in een periode waarin de continentale muziek in zwang raakte.

De laatste twee jaar van zijn leven verbracht Tomkins, inmiddels een tachtiger, op het landgoed van zijn zoon Nathaniel in het rustieke dorpje Martin Hussingtree, nabij Worcester. Hij maakte er een inventaris van alle anthems die hij in zijn lange carrière gecomponeerd had. Na zijn dood werd deze collectie door zijn zoon gepubliceerd onder de titel Musica Deo Sacra.

Alfonso Ferrabosco I 1544 – 1588

Van de Ferrabosco’s kennen wij twee Alfonso’s, Alfonso (de Oude) leefde van 1543-1588. Hij kwam uit Italië, uit Bologna, om precies te zijn. Over zijn jonge jaren in Italië is niet zo heel veel bekend. Al op 18 jarige leeftijd vertrok hij voor het eerst naar Engeland, waar hij al snel werk vond in dienst van Elizabeth I. Zijn muzikale talenten waren overduidelijk, maar rondom zijn persoon hangt een zweem van geheimzinnigheid. De paus in Rome en de inquisitie stonden zeer wantrouwend tegenover zijn verblijf in Engeland. Alfonso Ferrabosco reisde veel naar de landen op het Europese vasteland.  Ook wordt beweerd dat hij tijdens zijn reizen naar zijn vaderland spionagediensten verleenden voor Elizabeth I. Echter ook in Engeland was zijn gedrag niet geheel onbesproken. Zo kwam het verhaal in de wereld dat hij een andere immigrant uit Italië van het leven zou hebben beroofd. Nadat hij toch alles in het werk had gesteld om in Engeland zijn naam te zuiveren van deze en andere beschuldigingen, verliet hij dat land in 1578 om er nooit meer terug te keren. Alle pogingen van Elizabeth I om hem toch weer terug te halen naar Engeland bleven zonder resultaat. In 1588 stierf hij in zijn geboortestad Bologna.

Ferrabosco heeft de madrigaal naar Engeland gebracht. Het madrigaal is in de renaissance een vier- tot zesstemmige polyfone a capella compositie met een wereldlijke tekst. Bekende componisten van madrigalen zijn Palestrina, Orlando de Lassus, en Gesualdo. Uiteraard is ook Monteverdi heel vermaard om zijn madrigalen, maar dan zitten we al in de barok. In Engeland heeft deze muziekvorm veel componisten aangesproken. Ik denk dan aan William Byrd en John Dowland. In Engeland wordt de madrigaal steeds vaken instrumentaal begeleid. Later zullen in de barok ook geheel instrumentale madrigalen te horen zijn.

Ferrabosco had met de introductie van de madrigaal in Engeland het zaad gelegd voor een stormachtige ontwikkeling van deze muzieksoort in dat land. Het lijkt er wel op of de Engelsen een soort natuurlijke voorliefde koesteren voor deze zang. Nicholas Yonge publiceerde in 1588 zijn Musica Transalpina die een echte rage tot gevolg had. Maar zoals gezegd, aan Ferrabosco komt de eer toe de madrigaal te hebben geïntroduceerd in Engeland. Daar kwam nog bij dat de muzikale  stijl van Ferrabosco, conservatief en rustig , goed overeenkwam met de smaak van de Engelsen. De meeste madrigalen die Ferrabosco schreef waren vijf- of zesstemmig. Licht van aard, maar zeker niet oppervlakkig. Bovendien geschreven met ‘soul’.

Naast de madrigalen schreef Ferrabosco ook gewijde muziek (motetten, treurzangen, en verschillende anthems). Maar hij liet zich ook niet onbetuigd op het gebied van de instrumentale kunst. Naast fantasieën en pavans verschenen er van zijn hand ook galliards en In Nomine’s.  Een In Nomine is een verzamelbegrip voor Engelse, in hoofdzaak instrumentale, polyfone muziekwerken. We spreken over de 16e eeuw.  Sommigen rekenen deze muzieksoort als de eerste vorm van de zogenaamde consort muziek. In de traditie van de consort muziek zijn de In Nomine’s muziekwerken voor vier of vijf instrumenten. Meestal gaat het dan om de ons nu wel bekende viola da gamba’s (viols in het Engels). Ik kom nog terug op de In Nomine’s bij de bespreking van enige latere Engelse componisten.

Het is overigens interessant op te merken dat  de muzikale beïnvloeding  waarvan hier in het verhaal over Alfons Ferrabosco de Oude sprake is, in de tijd van de renaissance in Europa  heel gewoon was. Ik denk aan de componisten van de lage landen aan het hof van Keizer Karel V, en in Italië, maar ook aan de Spaanse componisten in Italië. Engelsen in Midden Europa en nog veel meer.

Alfonso Ferrabosco II 1575 – 1628
<< in bewerking >>
Orlando Gibbons  1583 – 1625
geb. Oxford 1583, gest. Canterbury 5-6-1625
Engels componist en organistGibbons kwam in 1596 bij het koor van de Kings College in Cambridge. In 1605 werd hij organist van de Chapel Royal te Londen, welke functie hij tot zijn dood behield.
In
1619 werd hij benoemd tot “musician for the virginalles to attend in his highness privie chamber”, klavierspeler in de geheime kamer van van het hof van Prince Charles (later King Charles I). Verder was Gibbons vanaf 1623 organist van de Westminster Abbey. In deze functie leidde hij o.a. de muziek bij de begrafenis van Jacob I.
In
1622 werd hij eredoctor aan de universiteit van Oxford. Hij stierf bij de Canterbury Cathedral terwijl hij wachtte op de aankomst van de nieuwe koningin Henrietta Maria. Hij is vooral bekend om de vele anthems en verse anthems die hij heeft gecomponeerd. Een voorbeeld van een dergelijke verse anthem is het prachtige “See the word is incarnate”, hier gezongen door het koor van de National Cathedral in Washington DC.

Orlando Gibbons was een van de meest vooraanstaande componisten van Engeland. Hij was bekend om “the best finger of that age”. Zijn positie onder de privé-musici van Prince Charles was belangrijk in de ontwikkeling van een van de grootste tijdperken in de kamermuziek die de Westerse muziek heeft meegemaakt. Samen met zijn collega’s, de componisten Alfonso Ferrabosco II, John Coprario en Thomas Lupo, deed Gibbons baanbrekend werk op het gebied van nieuwe libretti en consort muziek (kamermuziekensemble), wat zou leiden tot een verzameling, alleen in de schaduw gesteld in volume en verdieping door de werken van de Weense school.
Het is waarschijnlijk vooral aan Gibbons invloed te danken, dat orgelbegeleiding standaard werd in
consort-
werken.
Hij componeerde kerkmuziek w.o. psalmen, motetten, anthems, klavierwerken, wereldlijke vocale muziek, instrumentale muziek en vier masques.
Werken:
kerkmuziek uitgegeven in: Carnegie Edition of Tudor Church Music, 4 delen (1925)
William Lawes  1602 – 1645

William Lawes was de broer van de grote componist van liederen Henry Lawes. Vader Thomas, ook een  muzikant,  zong in het koor van de Salisbury Cathedral.  Het was duidelijk dat de jonge William zijn vader hierin spoedig zou volgen. Al snel bleek het grote talent van de jonge William, en het duurde dan ook niet lang of hij kwam op voorspraak van de graaf van Hartford in contact met de grote componist John Coprario. Coprario was beroemd om de vele fantasia’s die hij had geschreven voor de viola da gamba. William Lawes deed hier dan ook zijn grote liefde voor dit instrument op.  Het was een roerige tijd in Engeland in die periode van de 17e eeuw. William Lawes werd de uitverkoren componist van Koning Karel  1.

Die vriendschap met de koning zou William Lawes het leven kosten. William vergezelde de koning op  ongeveer alle militaire campagnes. Tijdens het beleg van Chester in 1645 reed hij met de koning de stad binnen. In een veldslag tegen de puriteinse republikeinen (de Roundheads) zag het er aanvankelijk naar uit dat de royalisten de strijd zouden gaan winnen. Maar  de republikeinen kregen versterkingen en de royalisten  moesten de aftocht blazen. William Lawes werd toen door de republikeinen doodgeschoten. <<wordt vervolgd>>


Consort Music van William Lawes

Henry Purcell  1659 – 1695
Advertenties

Responses

  1. cristobal de morales’ missa pro defunctis : hemels ! naar de andere muziek zal ik pas later kunnen luisteren. mooie ontdekking waarvoor dank


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: