Gepost door: athahualpa | november 17, 2012

Geschiedenis van de mensenrechten in Latijns-Amerika II

Geachte lezer,

Ik wil het in dit derde bericht over Bartolomé De Las Casas hebben over de vraag hoe we hem nu precies moeten plaatsen. In de ogen van zijn tegenstanders uit die tijd was hij een demagoog, een fantast, en eigenlijk ook niet helemaal goed bij zijn hoofd. Ze verweten hem daarnaast ook nog slordig denken en dat hij  handelde uit louter effectbejag. Hij zou geen groot filosoof zijn en ook op het gebied van de theologie zou hij zich niet kunnen meten met de ware deskundigen. Die laatste tegenwerping is vreemd aangezien hij zich juist zo goed staande had gehouden in het dispuut van Valladolid.

Bartolomé De Las Casas was dan misschien niet echt een denker van groot formaat (het onderscheid tussen theorie en praktijk waaraan in die tijd grote waarde werd gehecht wist hij niet altijd even goed in het vizier te houden), hij was in ieder geval zeer welbespraakt. Dat verklaart dan misschien de verwijten over demagogie die zijn tegenstanders gebruikten, maar dat lijkt geen rechtvaardig oordeel. Hij was waarschijnlijk, zoals wij het nu zouden noemen, nogal direct. Hij sprak op een manier die men in zijn omgeving waarschijnlijk nog niet vaak had gehoord. Gepassioneerd. Meer als een advocaat dan een filosoof. Hij zocht zijn argumenten daar waar hij ze kon vinden. Hij ging nogal eclectisch te werk.  Rechtvaardigheid behoorde in ieder geval tot de leidende principes die zijn leven beheerste. Wanneer een sterk ontwikkeld gevoel voor rechtvaardigheid gepaard gaat met de eerder genoemde welbespraaktheid is een (verondersteld) tekort aan diepgaande intellectuele kennis te compenseren.

Ik noemde al zijn spraakgebruik. Hij sprak over de rechten van de Indianen gelijk wij spreken over  mensenrechten. Alsof het gebruik van dit soort termen in die tijd gewoon was. Niets is echter minder waar. Zijn gebruik van deze termen en zijn idee van waar deze voor staan waren in die tijd ronduit revolutionair. Ik zou haast willen zeggen dat ze dat nog wel een dikke tweehonderd jaar zouden blijven. Centraal stond bij hem de gedachte van de mensheid als een ondeelbare eenheid. Alle mensen zijn gemaakt naar het evenbeeld van god. De mens is een rationeel wezen. Toen hij tijdens het dispuut van Valladolid van Sepulveda te horen kreeg dat Indianen eigenlijk niet meer dan beesten waren die als slaven behandeld mochten worden merkte hij in zijn verweer op dat Indianen onze broeders zijn, en dat Jezus Christus ook voor hen aan het kruis was gestorven.  Deze overtuiging omtrent de gelijkheid van mensen, gecombineerd met de universele grondslag (en werking) van de rechten van de mens plaatste  De Las Casas in een positie die pas veel later ook door filosofen van de Verlichting werd ingenomen (en lang niet iedereen onder hen). De Las Casas verbond de menselijkheid van de Indiaan met een vrijheidsbegrip. Ook dat was nieuw in die tijd. Waar tegenstanders van De Las Casas (zoals Sepulveda) er soms toe overgingen om de Indianen hun menselijkheid te betwisten, en daarmee alle aanspraken op vrijheid, waren er in die tijd ook velen die weliswaar erkenden dat de Indianen mensen waren, maar dan vooral een ander soort mensen. Ook voor deze laatsten was het feit dat een Indiaan zich tot het Christendom kon bekeren niet voldoende om hem als een volwaardig mens te zien.  Dit zelfde thema kwam later, tijdens de slavenhandel van Afrika naar de Nieuwe Wereld, ook weer steeds terug. Hoe kon men deze twee verschillende posities, de mens als slaaf en de mens als Christen met elkaar verenigen? Tot laat in de achttiende eeuw braken filosofen en theologen over dit soort vragen zich nog het hoofd. Om een ‘uitweg’ voor dit dilemma te vinden werden soms de meest vreemde interpretaties van teksten  uit de Bijbel gebezigd, die de minderwaardige positie van de slaaf (zwarte of indiaan, dat maakt niet uit) moesten ‘rechtvaardigen’. Nog later kwamen de zogenaamde ‘wetenschappelijke’ rassentheorieën op de proppen.

Het is zeker de verdienste van De Las Casas geweest dat hij al zo vroeg betoogde hoe futiel dergelijke redeneringen zijn. Het recht van de inheemse volken op een menswaardig bestaan werd door hem gezien  als een logisch gevolg van hun behoren tot de mensheid. Maar hoe zit het met de godsdienstvrijheid. Wanneer men  inheemse mensen ziet als mensen met onvervreemdbare rechten dan zou het voor de hand liggen dat men ze ook de vrijheid zou moeten verschaffen hun eigen godsdienst te belijden. Hun eigen rituelen uit te voeren? Elke vorm van dwang in gewetenszaken en dus ook in religieuze zaken zou moeten worden verworpen. Dat geldt dan toch ook voor de bekeringsdrift van de missionarissen? Ik durf te stellen dat  Bartolomé De Las Casas hierin een bijzonder vooruitstrevend standpunt innam. Hij wees dwang als middel tot bekering af. Alleen door overtuiging, rede en liefde konden de inheemse mensen nader tot Christus worden gebracht. Natuurlijk kon Bartolomé De Las Casas zijn eigen geloof niet verwerpen, dat geloof stond voor hem vast als het ware geloof. Anderen hadden het recht dit geloof te ontvangen. Hij keerde zich daarom niet tegen de bekeringsijver van de missionarissen maar wel tegen sommige van hun methoden. Hij kon zelfs begrip opbrengen voor sommige gebruiken van de inheemse Indianen, zoals de mensenoffers, zonder deze gebruiken op zich goed te praten. Het hoeft niet te verwonderen dat een dergelijk rudimentair cultuurrelativisme  in die tijd zeer zeldzaam was.

<< wordt vervolgd>>

 

Tinkunanchiskama,

 

Inca Athahualpa

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Categorieën

%d bloggers liken dit: