Geachte Lezers,
In 1528 bereikte Francisco Pizarro voor de eerste keer de stad Tumbez, een kustplaats in het noorden van Peru. Het was in de nadagen van mijn vaders koningschap over het rijk. Mijn vader, Huayna Capac, had net slag geleverd met opstandelingen in het gebied dat nu behoort tot Ecuador. Tumbez was een welvarende stad met duizenden inwoners. De eerste kennismaking van de bewoners met de Spanjaarden verliep vrij vreedzaam. Het verhaal van die vreemde mannen met baarden en stokken waar vuur uit leek te komen (geweren) verspreidde zich al spoedig door het hele land. Ik weet niet zeker of de Spanjaarden nu echt voldeden aan het beeld van de mythische figuren uit de overleveringen, die als grote blanke mensen werden voorgesteld en werden gezien als boodschappers van Viracocha. Feit is wel dat ze ontzag inboezemden.
Ik heb bij terugkomst van mijn vader uit Quito hem wel eens horen praten over deze vreemdelingen. Laatst vroeg ik Rascar of hij mij kon vertellen of mijn vader de eerste Spaanse conquistadores ook werkelijk heeft ontmoet. Ik heb al verteld dat Rascar met mijn vader was meegekomen uit het noorden. Zoals bekend is mijn vader niet lang daarna overleden aan de pokken. Rascar weet niet of mijn vader ooit in contact is gekomen met de blanke mensen uit Europa, maar hij zei onlangs wel dat hij altijd heeft vermoed dat de ziekte van mijn vader verband hield met de vreemdelingen. Nu weten we dat vele besmettelijke ziekten met de Spanjaarden zijn meegekomen, en het is ook geen geheim dat het aantal doden als gevolg van deze ziekten de doden gevallen door het krijgsgeweld in ruime mate overstijgt. Wij weten dat van het Caribische gebied, waar vlak na de aankomst van Columbus een grote epidemie vele duizenden slachtoffers heeft gemaakt. Dezelfde verhalen komen uit Mexico, waar na de Spaanse verovering van het Aztekenrijk door Cortez ook velen stierven aan vreemde ziekten.
Ook mijn vader heeft het gehad over een gevaar dat het rijk bedreigde, en dat veel groter was dan dat van opstandelingen in Ecuador, of waar dan ook. Rascar vertelde dat mijn vader daar zeer bezorgd over was geweest. Vader had in het noorden mensen gezien die plotseling ziek waren geworden. Sommige mensen hadden binnen twee dagen allemaal zwarte zweren vertoond over hun hele lichaam. Hoewel Rascar indertijd, in het gesprek dat wij hadden aan de oevers van de Urubamba, niet precies kon vertellen welk gevaar het rijk bedreigde, ben ik er zeker van dat hij doelde op de vreselijke vreemde ziekten die waren meegekomen met de vreemdelingen. In 1532 zette Pizarro voor de tweede maal voet aan land in Tumbez. Van de welvarende stad van weleer was niet veel meer overgebleven. De stad lag gedeeltelijk in puin. Overal waren er ruïnes van verwoeste huizen. Pizarro verbaasde zich er in hoge mate over, en hij vroeg aan twee tolken in zijn gezelschap of zij aan de overgebleven inwoners konden vragen wat er was gebeurd? Historici zijn er nog steeds niet uit.
Maar Rascar zei laatst tegen mij, “Atha, ik neem aan dat jij inmiddels wel weet wat er is gebeurd in Tumbez?”. Daarop antwoordde ik dat het er alle schijn van heeft dat Tumbez ten prooi is gevallen aan de Zwarte Dood. Rascar zweeg even, maar ik zag dat zijn ogen vochtig werden.
“Het was vreselijk. Ik heb vele mensen daar zien sterven. We hebben hun lichamen vrijwel onmiddellijk verbrand. Onder de slachtoffers waren mijn ouders, mijn broer, mijn zusje Cusu, Cura mijn vrouw, en onze vier kinderen. De laatste woorden van mijn vrouw waren: Volg de Lichtende Sterrenweg naar het Westen waar wij elkaar weer zullen ontmoeten op de Eilanden”.
“Galapagos”, zei ik.
Rascar knikte.
Tinkunanchiskama
Inca Athahualpa









